Komende cantate

180px-Johann_Sebastian_Bach.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zondag 12 februari: Cantate BWV 83:   "Erfreute Zeit im neuen Bunde"

Voor deze zondag kozen we een cantate die Bach in februari 1724 componeerde voor (in de Lutherse liturgie) het feest van de Reiniging van Maria, 40 dagen na de geboorte van Christus; bij ons misschien beter bekend als (in de R.K. liturgie) Maria-Lichtmis waarin de kaarsen voor de kerk gewijd worden. Oorspronkelijk werd op deze dag het moment gevierd dat de oude Simeon, zoals het hem was voorspeld, nog voor zijn sterven het kind Jezus mocht zien in de tempel, en hoe hij in hem “het licht der wereld” herkende (Luc. 2: 25v.). Dat thema van het Licht in de dood staat nu ook centraal. Simeons daaropvolgende lofzang Nunc dimittis: “Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede” wordt op alle gelovigen betrokken, en zo kan ook in deze cantate, zoals vaak bij Bach, de dood gezien worden als een vreugdevol loslaten van het leven.

Het openingsdeel is een blijmoedige aria “Erfreute Zeit” voor de alt, met feestelijke begeleiding door solo-viool en een ensemble van twee hoorns, twee hobo’s, strijkers en continuo. Zeer uitzonderlijk in Bachs totale oeuvre is het tweede deel, waarin de bas drie verzen van het Nunc dimittis van Simeon zingt op een middeleeuwse psalmtoon, in canon omspeeld door violen en altviolen enerzijds en continuo (cello, contrabas, en orgel) anderzijds.

Dan volgt een grote tenor-aria “Eile!”, opnieuw met een uitbundige en zeer virtuoze viool solo partij en strijkersbegeleiding daaromheen (met een tekst ontleend aan de brief aan de Hebreeën, Hebr. 4: 16). Na een recitatief van de alt over hoe we het heldere licht zullen zien in het uur van onze dood, zingen we samen het slotkoraal met de tekst van het 4e vers van Luthers toepasselijke lied “Mit Fried und Freud ich fahr dahin”.